Hengelo in de 18e en 19e eeuw

Hengelo in de 18e en 19e eeuw

 

De 18e eeuw

De Hengelose boeren produceerden meer stoffen dan ze voor eigen gebruik nodig hadden. Wat ze zelf niet nodig hadden, werd verkocht aan rondreizende opkopers, de zogenaamde linnenreders. In de loop van de achttiende eeuw gingen deze opkopers ook de textielproductie organiseren door beroepswevers in kleine werkplaatsen voor hen te laten werken. Wolter ten Cate (1701-1795) was zo’n Hengelose fabriqueur en hij wordt beschouwd als de grondlegger van de Hengelose textielindustrie. Uit Vlaanderen en Dantzig afkomstige instructeurs legden op initiatief van Ten Cate in Hengelo de basis voor de productie van bontgoed en damast. De Hengelose wevers zouden specialisten worden op het gebied van deze hoogwaardige textielproducten.

De 19e eeuw

Tijdens de Franse overheersing (1795-1813) werd Hengelo op 1 mei 1802 een zelfstandige gemeente, bestaande uit het dorp Hengelo en een aangrenzend deel dat werd aangeduid met Veldzijde. Ook het dorp Beckum maakt sindsdien deel uit van de nieuwe gemeente. De eerste maire was de plaatselijke fabriqueur Jan Dijk. Het Huys te Hengelo wisselde in de achterliggende eeuwen vele malen van eigenaar en was in het begin van de 19e eeuw ernstig in verval geraakt. Uiteindelijk werd het in 1830 afgebroken. Twee jaar later werd de jonge Mr. Bartholomeus baron Sloet tot Oldhuis al op 24-jarige leeftijd benoemd tot burgemeester van de ruim 3000 inwoners tellende gemeente.

Van huisnijverheid naar industrie

Na de Belgische Opstand in 1830 onderzocht Willem de Clerq, directeur van de Nederlandse Handel Maatschappij, in opdracht van koning Willem I, de mogelijkheden om in de Noordelijke Nederlanden nieuwe centra voor textielproductie op te zetten. In Hengelo ontmoette De Clerq de Engelse textielspecialist Thomas Ainsworth. Tijdens deze ontmoeting werd de kiem gelegd voor een op moderne leest geschoeide textielproductie in de Twentse regio. Het vakmanschap van de Twentse wevers en de lage lonen speelden daarbij een doorslaggevende rol. Stoommachines deden na 1830 hun intrede en in 1854 verplaatste Charles Theodorus Stork zijn weverij, de latere Koninklijke Weefgoederenfabriek, van Oldenzaal naar Hengelo. Een jarenlange lobby van dezelfde C.T Stork leidde er in 1865/’66 toe dat Hengelo op een kruispunt van spoorwegen kwam te liggen. In 1868 verplaatste C.T. Stork vervolgens zijn machinefabriek, de latere Koninklijke Machinefabriek Gebr. Stork & Co., van Borne naar Hengelo. Tussen 1870 en 1900 zou het inwonertal dankzij de bloei van de industrie verdubbelen tot ongeveer 10.000 inwoners.

 

 

Deze website maakt gebruik van cookies.

Strictly necessary cookies

Cookies t.b.v. statistieken

Cookies van externe partijen

Meer informatie
Wat vindt u van onze website?